De dienstwoning in het leenstelsel.
Uit: Mulder c.s. - Geschiedenis van Nederland. Walraven (1989) ISBN 90-6049-637-X.

Aan het eind van de Romeinse tijd verdwenen de Romeinse villae. Pas in de loop van de zevende eeuw geven schriftelijke bronnen weer enig inzicht in de aard van het grondbezit. De Frankische koning was de belangrijkste grondeigenaar. Veel van zijn landgoederen hadden tot het Romeinse staatsbezit behoord. Zijn vermogen werd de fiscus genoemd en bestond uit zijn domeinen en de schatkist. De term fiscus was ontleend aan de Romeinse keizers. De Merovingische koningen, de eersten in de Frankische periode, schonken veel domeinen aan hun getrouwen en aan de kerk. Daarmee verminderde niet alleen hun rijkdom, maar ook hun macht. Grondbezit was in de vroege Middeleeuwen de machtsfactor bij uitstek.
      De landgoederen of domeinen werden onderverdeeld in 'villae'. Het woord domein is afkomstig van 'land van de dominus, de heer'. Veel domeinen werden door de koning en andere grondbezitters aan de kerk geschonken. Later gebruikten de Franken het woord villa voor het domein zelf. Het landgoed werd vanuit een centrale hoeve - de vroonhoeve - door ondergeschikten van de eigenaar geëxploiteerd. Domeinen kwamen vooral in het zuiden en oosten van ons land voor. In het noorden van Nederland waren kleinere grondbezitters in de meerderheid.
    Een aantal landarbeiders op de domeinen kreeg een stukje grond voor eigen gebruik. Zij werden horigen genoemd. Een deel van de opbrengst moest als pacht worden afgestaan. Een andere categorie landarbeiders, de lijfeigenen, had geen enkel recht en was er niet veel beter aan toe dan slaven. Het grootste deel van de bevolking in het Frankische rijk werd persoonlijk afhankelijk van de grootgrondbezitters, de adel. Mede door de vele oorlogen was men genoodzaakt bescherming te zoeken om te kunnen overleven. De Germaanse stammen kenden al bepaalde sociale verhoudingen waarbij aan de machtigste krijger trouw werd gezworen, in ruil voor zijn bescherming. Zo'n band werd voor het leven aangegaan. Alleen door het overlijden van een van hen kwam er een eind aan. Tijdens de zwakke Merovingische vorsten kon de staat de onderdanen onvoldoende bescherming bieden. Zij zochten veiligheid bij plaatselijke adellijke heren, die hierdoor hun positie versterkten. Onder de Karolingers kwam dit leenstelsel tot volle bloei. Zij zagen er een ideaal systeem in om aan voldoende ruiters en voetvolk voor hun legers te komen. Bovendien hadden ze via de leenmannen contact met hun onderdanen. De leenman of vazal zwoer zijn leenheer met raad en daad bij te staan en hem te gehoorzamen, in ruil voor zijn bescherming. De leenman kreeg als beloning een aantal landerijen. Met de inkomsten van die landerijen kon de leenman de ruiters onderhouden. De basis van het stelsel was echter een persoonlijke band tussen leenheer en leenman.
Na verloop van tijd werd zo'n leenband erfelijk, waardoor de macht van de leenheer terugliep. Daar kwam bij dat een leenman meer dan één leenheer kon hebben; wie moest hij helpen, zeker als er tegenstrijdige belangen in het spel waren? Op zo'n leengoed woonden personen die op hun beurt aan de leenman gebonden waren. Daardoor werd het leenstelsel een sociaal systeem van onderlinge banden tussen verschillende niveaus.
      Later werden ook andere bronnen van inkomsten in leen gegeven, zoals tolrechten en bestuursbevoegdheden. Ook deze werden op den duur erfelijk, waardoor de macht van de vorst werd aangetast. Leenmannen onttrokken zich meer en meer aan het gezag van de koning en bouwden in een aantal gevallen hun gebied uit tot kleine vorstendommen. Hoewel de leenmannen steeds zelfstandiger werden, bleef de invloed van het leenstelsel tot in de achttiende eeuw merkbaar. De trouw die aan het leenstelsel ten grondslag lag, heeft de middeleeuwse samenleving diepgaand beïnvloed.


Inhoudsopgave