Op het verkeerde been gezet!
Met het Everzwil naar Essen of Utrecht? Nee! Naar Keppel! Het zoeken naar de oudste vermeldingen betreffende het erve Nevenzel heeft bij mij, en nogal wat anderen, verwarring gebracht. Bronnenonderzoek leverde in korte tijd zoveel nieuws dat daardoor een ware euforie ontstond. Daarnaast de ontdekking van een reeks verwante nazaten die midden 19e eeuw vertrokken naar de Amerikaanse staat Michigan, bracht een en ander in een stroomversnelling. Een sterke pressie ontwikkelde zich hen de 'roots' in het Noordmeer van Den Ham mee te delen.
Terecht, want naar ik vernam was aldaar de familiegeschiedenis reeds zo verbleekt, dat deze familieleden dachten af te stammen van de Hugenoten. Trots kon ik hen melden dat de boerderij Nevenzel (voorheen het Everzwil) al in een oorkonde uit 1356 werd genoemd en dat me uit de Overijsselse Almanak (1839) was gebleken dat het erf destijds leenroerig* was aan het Stift in Essen.Niets bleek minder waar! Had ik destijds het artikel van mr. Haga in de Zwolse Courant maar kunnen lezen. Echter geboren in 1942 en dan een krant uit 1934 al kennen, zo er toen al een bij ons thuis werd gelezen, is een genetische imprint die met zekerheid grenst aan het onwaarschijnlijke. Als verzachtende, niet vergoeilijkende, omstandigheid bleek dat ik niet de enige was die, zoekend naar herkomst van kasteel Eerde, i.c. annex erve Nevenzel, in een historische valkuil was gestapt.
Voor lieden die zich verdiepen in de geschiedenis van Den Ham en daarbij eveneens geschreven vergeelde, deels vaak achterhaalde bronnen raadplegen, laten zij vooral niet Eerde verwarren met Irthe (Erthe) onder Lente in Dalfsen. Vandaar dat voor hen het integrale artikel van mr. A. Haga, rijksarchivaris te Zwolle, hier nogmaals wordt afgedrukt.
Een onuitroeibare legende omtrent het kasteel Eerde. Evenals bij de afleiding van namen, houden velen er van hun fantasie vrij spel te geven, als het de stichting en vroege historie betreft van steden en kastelen. Soms komen toevallige feiten zulke vermoedens, op fantasie berustend, schijnbaar versterken. Zulk een geval is in dit artikel over het mooie kasteel bij Ommen behandeld.
Het kasteel Eerde bij Ommen, dat enige jaren geleden door de daar gehouden bijeenkomsten van de Orde van de Ster van het Oosten een bekendheid heeft verkregen, die zich verre buiten de grenzen van ons vaderland uitstrekt, was een dier oude Overijsselse havezaten, die sinds eeuwen door adellijke geslachten werd bewoond.
De oorsprong van het kasteel ligt in het duister, maar het is juist deze duisternis, die aan de fantasie vrij spel geeft en uit onbetrouwbare en onjuiste gegevens de legende doet geboren worden. Populaire geschiedeniswerkjes en plaatsbeschrijvingen nemen dergelijke legenden gewoonlijk gretig over en bij het merendeel der lezers heeft dan langzamerhand een mening post gevat, die niet meer is uit te roeien. Ook Eerde bezit zulk een legende, die echter eerst in de 19e eeuw is ontstaan en overigens van alle romantiek gespeend is. Oudere betrouwbare geschiedwerken als Nagge's Historie van Overijssel en Dumbar's Tegenwoordige Staat van Overijssel maken er dan ook met geen woord gewag van.
Als oudste mij bekende bron (*1) vond ik het Aardrijkskundig Woordenboek van Van der Aa (1843), waar wij omtrent het kasteel Eerde lezen: huis te Eerde, oudtijds Irthe, adellijk huis in Zalland, was oorspronkelijk de stamhof van een Sakser, later een vrije heilige hoeve van de abdij van Essen. Latere werkjes als de Wandelgids voor Dalfsen, Rechteren, Vilsteren, het Laar en Ommen (1903) en de overigens met veel zorg uitgegeven Beschrijving van Ommen (1924) hebben deze legende overgenomen en uitgebreid met de toevoeging, dat in de tijd dat het Christendom in deze streken doordrong, de hofheer door vroomheid gedreven zijn vrije hoeve onder de bescherming van het geestelijk gesticht van Essen plaatste. De vroegste berichten over Eerde zouden, volgens deze werkjes, dateren uit de 13e eeuw.
Zelfs in het 26ste stuk van de Verslagen en Mededeelingen van de Vereeniging tot beoefening van Overijsselsch Regt en Geschiedenis (VMORG)(1910) vindt men in het artikel Korte aanteekeningen omtrent Ommen dezelfde historie kortelijks aangestipt en worden een tiental plaatsen, aan archiefstukken uit de jaren 947 - 1515 ontleend, opgesomd, waarin de telkens wisselende schrijfwijze van Irthe en Eerde blijkbaar steun moet geven aan de bovengenoemde voorstelling van zaken. Toch is deze voorstelling van zaken geheel onjuist. Twee dingen zijn hier met elkander verward en tot één geheel versmolten, n.l. de hof te Irthe, oudtijds ook Erthe geschreven, gelegen onder Lenthe in de gemeente Dalfsen en het kasteel Eerde bij Ommen. Naast de overeenkomst in naam heeft het feit dat enerzijds de hof te Irthe aan de abdij van Essen in Westfalen leenroerig was, anderzijds het kasteel Eerde oudtijds eigendom was van het adellijk geslacht van Essen, de verwarring nog doen toenemenen, aanleiding gegeven de geschiedenis dezer beide geheel van elkaar verschillende landgoederen met elkaar te combineren.
Deze vergissing is des te opmerkelijker, omdat reeds in het 14de stuk van bovengenoemde Verslagen en Meededelingen (1885) door pastoor J. Hogeman was aangetoond, dat de hof te Irthe, behorende onder de abdij of stift Essen, op een geheel andere plaats lag dan het kasteel Eerde, n.l. in de buurtschap Lenthe, gemeente Dalfsen en dus onmogelijk identiek kon zijn met het kasteel Eerde. De hof te Irthe is met de beide andere in Salland gelegen Essen'se hoven Archem en Olst met de daaronder behorende erven dan ook tot in de Franse tijd toe leenroerig aan het stift Essen gebleven, terwijl Eerde leenroerig was aan de landheer, de bisschop van Utrecht (*2).
De drie genoemde Essense hoven waren reeds in de 9e eeuw door Lodewijk den Duitser aan het stift Essen geschonken en nadat bij de kloosterbrand te Essen in het jaar 944 de schenkingsakte verloren was gegaan, werd het jaar 947 door koning Otto I deze schenking bevestigd. Het beheer over de Essen'se goederen werd hier in Overijssel gevoerd door een ambtman. Het archief van de ambtman werd in 1860 door de provincie met steun van het rijk aangekocht van de dochters (*3) van de laatst overleden ambtman van het stift en berust thans in de Rijksarchiefbewaarplaats op de Sassenpoort. De geschiedenis dezer hoven vindt men kortelijks beschreven in de inleiding van mijn inventaris van "het archief van den ambtman van het stift Essen", afgedrukt in de "Verslagen omtrent 's Rijks Oude Archieven" (1926).
Wat nu het kasteel Eerde betreft, eerst omstreeks het jaar 1380 komen wij daarmede op vaste historische bodem te staan. Bekend is het beleg, dat het machtige kasteel, toenmaals in het bezit van de roofridder Evert van Essen, in dat jaar had te doorstaan en hoe het tenslotte geheel werd verwoest. Wanneer het kasteel is gebouwd, is onbekend, doch reeds in 1366 woonde Evert van Essen in de buurtschap Eerde blijkens een post in de stadsrekeningen van Deventer van dat jaar, luidende: "Heyne Oem, die tot Eerde bi Ummen ghelopen was an Everde van Essen mit breven van Willike Boying, 10 st."
Eerde zal oudtijds bewoond geweest zijn door het adellijk geslacht van dien naam. De erfdochter van Eerde (*4), Margaretha van Eerde geheten, bracht het huis door haar huwelijk met Evert van Essen in diens bezit. Evert heeft zich, nadat zijn kasteel in 1380 was verwoest, vermoedelijk in het land van Vollenhove, waar hij ook verschillende goederen bezat, neergezet. Bij een inval der Friezen in 1382 vond hij daar de dood.De buurtschap Eerde vinden wij reeds vermeld in een oorkonde van 21 april 1319, aanwezig in het Deventer archief (invent.no. 1150 r), waarin gesproken wordt van de tienden van een stuk land in villa Erde in parochia Ummen (*5).
De legende van de oorsprong van het huis Eerde heeft echter nog een eigenaardig gevolg gehad, dat niet onvermeld mag blijven. Steunende op deze legende, die de oorsprong van het kasteel Eerde deed zoeken in de hof te Irthe, heeft de tegenwoordige bezitter van het kasteel, baron van Pallandt, zijn tweede dochter de naam van Irthe gegeven. Moge het bovenstaande er toe bijdragen, dat deze legende thans voor goed uit de geschiedenis van het kasteel verdwijne; of het ook tot verbetering van een akte van de Burgerlijke Stand zal leiden, is een andere vraag. A.H.(*6)
Noten:
- Van der Aa (1843), Aardrijkskundig Woordenboek
- Mr. Haga vergist zich hier. Ofschoon voor de hand liggend, echter in 1356 en later behoorde het Everzwil aan het huis Keppel in de Achterhoek. Het is nimmer opgedragen geweest aan de bisschop.
- De dochters 'van Wijck' van het huis te Archem. In het RAO spreekt men dan ook over het 'van Wijck register'.
- Margarethe's vader, wonend op Eerde, is een Reding uit het Vollenhoofse.
- Deze mededeling betreft het huis Hengeler, nu Noeverman, in het Eerder-Achterbroek.
- Mr. A. Haga was rijksarchivaris in het, destijds nog in de Sassenpoort huizende, rijksarchief te Zwolle en hij heeft in De Provinciale en Zwolse Courant van 9 Oct 1934 deze, voor mij zo waardevolle, bijdrage geleverd. Achteraf bleek ook hem, dat van der Aa en andere schrijvers deze legende hebben ontleend aan een artikel, betreffende het huis Eerde, in den Overijsselschen Almanak van 1839. Men zou bij het Rijksarchief in Zwolle deze gewraakte passage moeten schrappen.
Inhoudsopgave