Veld- en boerderijnamen rond het Nevenzel.
Aalders, Aelders
Aalders, uitgesproken met een geknepen a-klank, is de naam van de boerderij van Lusseveld, Ganzenmars 15, Den Ham.
Aalders is een tweede naamvalsvorm, welke we nu omschrijven met 'van Aalder(t)'.
In Oost-Nederland kon eertijds dat bezit ook weergeven worden met het achtervoegsel -ing of ink en dat leverde de volgende varianten:
Aaldering, Aaldring, Aaldrink, Oude Aalderink, Aalderk.
Het zijn zogenaamde patroniemen bij de Friese voornaam Alard of Allard (van de tweestammige germaanse naam Adelhard met de delen athal 'edel' en hard 'dapper') óf bij de voornaam Alrich (athal en riki 'machtig').
Een algemeen verschijnsel daarbij was dat er een -d- werd ingevoegd tussen een l-r, net als in 'het Hengelaar - 't Hengelder; het Nevelaar - 't Neilder.
Meer van Alard afgeleide familienamen zijn in het nederduitse taalgebied: Ahlers, Ahlert, ook Allers, Allert. Rond Bremen is Alardus = Alwardus en dat leverde ook Ahlward, Allwardt, in Friesland (NL) Aaldert en in Westfalen Allerding.
Dries, Op den
Het duurde lang voordat ik de werkelijke familienaam van Op'n Dries' Halbert (Olsman), eigenaar van de zagerij Ommerweg 73, Den Ham (Noordmeer), leerde kennen. Albert met de eufonische 'H' die in onze streek zo eigen is. Broer Seine vertelde 2-7-2001 dat er inmiddels nieuwe eigenaren dit pand bewonen. Noord-Hollanders naar ik vernam. Voor hen zal dit extra leuk zijn, een stukje voorgeschiedenis bij hun woning. Stel dat ze Jan en Hendrika heten. Dan behoren ze nu als 'Op'n Dries Jaan en Dieke' door het leven te gaan.
Magda Devos vertelt over 'dries' in het Dialectenboek 6 van de streek, p. 48-49 (ISBN 90-73869-06-4) het volgende.
Talrijk zijn de familienamen met het terreinwoord dries: van den Dries(se), Driessche(n), Drieske, Dris(se), Driest, Driesschaert en ook Driesman(s), wat echter evengoed een afleiding kan zijn van de voornaam Dries, verkorting van Andries.
Uit historische bewijsplaatsen van dries als soortnaam en als toponiem leren we dat het woord een brede waaier van toepassingen heeft ontwikkeld, o.m.Eén ding hebben de middeleeuwse 'driesen', hoe verschillend ook qua aard en ligging, gemeen: hun functie als graas- en hooiland.
- rustend akkerland, dat tijdelijk als gemeenschappelijke graasweide wordt gebruikt,
- stuk minderwaardig grasland waarop de boerengemeenschap weiderecht heeft,
- permanent grasland van geringe hoedanigheid,
en ten slotte- openbaar pleintje in een dorp of een gehucht.
Dries is een heel oude terreinbenaming. In zijn Indo-europese voorgeschiedenis gaat het woord terug op een woord met de betekenis 'wat opgeteerd of uitgeput is'. Een "dries" was dus oorspronkelijk een uitgeputte akker, die weer op krachten moest komen en daartoe een aantal jaren braak bleef liggen. Men liet er gras, onkruid en kreupelhout opschieten om de bodem te verrijken. Na verloop van tijd werd het struikgewas gerooid, gras en onkruid werden ondergeploegd als groenbemesting, en men ging er weer gewassen zaaien.
Tijdens de braakperiode had de boerengemenschap het recht op de "driesen" hout te hakken (b.v. om afrasteringen te maken), te sprokkelen en er hun vee te laten weiden. Die functie als graasland verklaart hoe dries de hierboven genoemde 'weiland'-betekenissen kon aannemen. De toepassing van dries op dorps- en vooral gehuchtpleinen is te begrijpen vanuit de overeenkomst in uitzicht en functie tussen de oude, gemene "driesen" en de pleintjes waarrond zich in dorpen en gehuchten de bewoning concentreerde. Deze openbare plaatsen waren zowat miniatuurversies van de oude driesen: ze omvatten graasland, houtgewas en wellicht af en toe ook een stukje akkerland, en de omwonenden hadden er weiderecht en houwrecht.
Heemstede - hof te Heemstede
'n Emster-es. Hoe vaak gebruikte ik deze naam zonder te beseffen dat het Es bij de hof Heemstede betekende. Als ik er al over nadacht, dan leek het me toe dat de naam was ontstaan uit 'hofstede bij den Ham'. Hämstede dus, maar dan met een Umlaut, een taalkundige aanduiding van een historisch proces waarin de stamklinker van een woord zich aanpast (assimileert) aan de klanken van een naburige lettergreep. Dus eigenlijk net als 'stool' en 'stöölder (steulder)'.
De waarheid is wellicht anders. Het is nauwelijks aan te nemen dat een esnaam blijft als de woonstede (heemstede) al lang is verdwenen. Het heeft waarschijnlijk met de belangrijkheid van de hof te maken. In het Middel-Nederlands was een Heemstede de plaats waar het gericht over bijzondere landsaangelegenheden werd gehouden. Zou dat ook hier zo zijn geweest?
Klifte - Eerder Klifte
'Eerder Klifte' als eerste, dan 'Eerder Heugte' en nu 'Steile Oever', dat zijn de namen voor de hoge 'uitham' van een oude Regge-arm als onderdeel van de Besthmenerberg. Het meanderende stroombed van de oude, niet gekanaliseerde, Regge heeft zich daar in de Besthmenerberg gegraven. Een mooie plek in het landgoed Eerde en veelvuldig het startpunt voor een wandeltocht aldaar. Niet te missen voor diegenen die de N341 nemen tussen Ommen en Den Ham. Direct na het passeren van de grenspalen van het landgoed begint de weg te stijgen tot ruim 10 m boven NAP.
Een klif of klift is volgens het WNT - heel in het algemeen - "een bodemverheffing, een hoogte of een steilte". Het woord is nauwverwant met het Engelse cliff, en - meer in de verte - met het Nederlandse klip. De oudst bekende vorm die in het Nederlands is aangetroffen is niet klif maar klef. In verschillende straat-, veld- en achternamen komt deze vorm nog voor. De Duitse stad Kleef, gelegen op de steile rand van de Schwanenburg, is daar een goed voorbeeld van (zie Duden/Berger).
In het noordoosten van Nederland komt ook de vorm kluft voor. Klinkers worden op verschillende plaatsen in de mond gevormd. Probeer de volgorde e, i, u, o, waarbij de klinker van achter naar voor 'wandelt'. Dwalen we van Twente naar Apeldoorn, dan komen we de achternamen - met ch ofwel g geschreven - Lechtenberg, Lichtenberg, Luchtenberg en Lochtenberg tegen.
Leerte, De - Leertendijk
Op verschillende plaatsen komt de naam 'Leerte' voor in het Nederduitse taalgebied, zelfs in Oost-Vlaanderen. Je verwacht dan een gemakkelijke verklaring te kunnen vinden, echter veel etymologen twijfelen. Het waarschijnlijkst is de grondvorm *Lar-ithi die via Lehrete tot Leerte is veranderd. (zie laar)
Laar, Het
Laar (aldus Berkel en Samplonius in hun Prisma van Nederlandse Plaatsnamen, zoals in Het Laar bij Ommen, is hetzelfde als het mnl. lare en komt veel voor als bestanddeel van plaatsnamen en daardoor familienamen. De betekenis ervan heeft te maken met de uitbating van een bosgebied.
Vroeger werd het toponiem omschreven als 'open plek in een bos, bosweide'.Tegenwoordig neemt men aan dat een laar oorspronkelijk dat deel van een bos aanduidde dat intensief door de nabije bewoners werd gebruikt: men hoedde er varkens en schapen, haalde er humus, strooisel voor de stal (die na gebruik voor bemesting werd gebruikt) en sneed er loof voor wintervoer. Dit intensieve gebruik leidde tot een degeneratie van het bos, dat soms zelfs verviel tot heide.
De naam laar bleef echter in gebruik. Zo treedt in Brabant en Vlaanderen, mogelijk ook elders, in de loop der tijd, naarmate meer bos verdween, een betekenisverschuiving op naar 'kaal weidegebied' i.h.a. en dat weidegebied kon dan veelal in gemeenschappelijk gebruik zijn. Een voorbeeld is IJpelaar 'intensief benut iepenbos' dat de gemeenschappelijke grond van Breda werd. Door deze overgang kon de betekenis van laar uiteindelijk verkeerd in het tegendeel van zijn taalkundige oorsprong uitgelegd worden. Men kwam tot een afleiding van de wortel ie. kel 'bescherming bieden' (vgl. on. hlé `beschutting').
Een opsomming van bronnen:
laar - (het laar, mv. laren)
Alle voors en tegens overziend sluit ik me aan bij de namendeskundige, die recent zeer veel en gedegen werk heeft geleverd, Jürgen Udolph. In zijn behandeling van de plaatsnaam "Lehrte" (Landkreis Hannover) komt hij tot de conclusie dat een afleiding van *Lar-ithi het meest waarschijnlijk is. Voor de betekenis van lar, dat eventueel als 'bos, bosweide' te duiden is, wordt verwezen naar zijn uitvoerige discussie in
- v.Dale: 1. open plaats in een bos; 2. (Zuidn.) open plein in een dorp. Etym.: 1248 'broekland, drassig land', mogelijk van het Lat. calere (warm zijn).
- Ebeling: intensief benut bos
- Kiliaan na 1600: onbebouwde grond, gemene weide.
- Verdam: 1. laer 'ledig'; 2. woning?; 3. open veld, onbebouwd land; 4. broekland.
- de Vries: weideplaats (vgl. oen laes en de. lòse); het kan dan de betekenis krijgen van 'moerassig land', en vervolgens van 'veld' in het algemeen. Naar de aard van de landstreek verschilt ook de inhoud van het woord; zo kan het ook gebruikt worden voor een armoedige dorre streek.
- Tollenaere: betekent in plaatsnamen 'open plek in bos, bosweide', mnl. laer 'onbebouwd veld', vgl. ohd. hlâr 'weideplaats'. Laar bij Rhenen heette in 855 Villa Hlara. Men verbindt dit woord met het os. ohd. lâri, nhd. leer 'ledig', wanneer men uitgaat van een vorm *lêzia- (dus zonder h), dan denkt men aan een grondbet. 'waar gelezen of geraapt mag worden', d.i. 'het afgemaaide veld' (z.a.).
laar - (de laar, mv. laren) - (gron.) zode van dicht ineengegroeid vlotgras; gaat men uit van 'slappe massa', dan zijn te vergelijken mnd. las, lasch 'slap, mat', got. lasiws 'zwak' en verder lit. laskana 'vod, lap'. Maar naast laar staat gron. ladde 'drijvend eilandje in plassen', men kan dan ook verband zoeken met laden en als grondbetekenis aannemen 'opgehoopte massa'.
J. Udolph, Namenkundliche Studien zum Germanenproblem, Berlin-New York 1994, p. 473-497.
Vlasner, Het
Het Vlasner is de oude erf- of boerderijnaam bij Rolleman aan de Janmansweg 23 in Den Ham. Bij de uitspraak 't Vlàsner, soms ook Vlàsnder, houdt de 'à' het midden tussen 'a' en 'e'.
Bij het 'vlasner' kan men denken aan de plaats waar het vlas werd geroot, niet aan de persoon die het vlas bewerkte, want dan had het 'de vlasner' moeten zijn. Het Middelnederlands kent de term 'vlassen' voor roten, het biologisch ontsluitingsproces van de vezels uit de vlasstengels .
Vlasner komt als familienaam in Nederland niet voor, maar wel Flechsner in Duitsland. Waarschijnlijk is het een vernederlandsing van deze familienaam. Het Vlasner was tot 1931 in het bezit van Eduard Lüps, die te Elsene bij Brussel woonde. Op zijn verzoek werd het landgoed in publieke veiling gebracht. Junne kwam toen aan Maximiliaan Robert baron Bentinck tot Buckhorst en zijn vrouw Jonkvrouwe Jeanne Wilhelmina Speelman, wonende te Beerse.
Inhoudsopgave